|
Een
man een man

- Fragment
uit hoofdstuk I
-
- Van
het Hilton naar het begin van de De Lairessestraat is het ongeveer tien
minuten lopen. Eden Pendraat stond stil voor de glazen uitbouw van het
Concertgebouw. Het was alsof hij net wakker was geworden en dat de
voorafgaande uren uit niets anders dan droomloze slaap hadden bestaan. Hij
keek op zijn horloge, een ouderwetse Omega met gouden wijzers. Het was
tien
voor tien. Eden had de indruk dat de secondewijzer veel trager dan anders
bewoog. Hij tikte op het glas.
- Hij
keek rond of hij een openbare klok kon ontdekken en terwijl hij dat deed
was het alsof zijn hoofd los op zijn nek zat, alsof het zweefde. Hij kon
geen klok ontdekken en realiseerde zich toen pas dat hij op het kruispunt
van de De Lairessestraat en de Van Baerlestraat stond maar niet wist wat
hij daar deed. Het ochtendverkeer denderde langs, hij leek het niet te
horen. Ik ben via een
onderaardse tunnel uit een putdeksel omhoog gekropen en toen hier per
ongeluk uit gekomen, dacht hij. Hij keek nogmaals rond, niet vanwege een
klok, maar in een vergeefse poging om de achter hem liggende tijd te
vinden, die in het niets verdampt scheen. Hij zag zichzelf vaag
weerspiegeld in de glaswand van het Concertgebouw.
- Hij
kon niet langer op deze piek stil blijven staan en stak over. Van het
glazen etalagehokje met lampen van de firma Indoor, dat zich sinds
mensenheugenis op deze piek bevindt, ging vertrouwdheid uit. Eden zag
alleen geen lampen, het hokje was leeg.
- Er
was een dofheid in zijn hoofd. Zou hij Anneke bellen? Hij probeerde zich
zijn eigen telefoonnummer te herinneren maar bleef na vier cijfers steken.
En wat moest hij haar vragen? Wat hij hier deed? Of hij die nacht wel
thuis was geweest? Of zij soms wist of hij zijn geheugen kwijt was? Maar
ik ben mijn geheugen helemaal niet kwijt, dacht Eden. Ik
weet toch dat mijn vrouw Anneke heet? Anneke, Kampers, geboren 15
juni 1963... getrouwd op 13 augustus 1984... op 5 februari 1985 wordt Ilja
geboren... ik op 26 april 1965 in het Prinsengracht Ziekenhuis...
- Eden
keek schuin achter zich, dwars door de huizen heen richting Willemsparkweg...
Gewoond in de Van Eeghenstraat 102... bel en sous... vloeren zo scheef dat
je knikkers kon laten rollen in de richel van de plint... Later
Vondelstraat... kraakwacht met Duco...
- Eden
draaide zich om en keek de Van Baerlestraat in, in de richting van de
Vondelbrug. Daar heb ik toch gewoond, dacht hij. Niet lang... Duuk kreeg
rotzooi... Duco...
- Tijden
en beelden tuimelden willekeurig voor zijn ogen. Hij merkte dat hij met
zijn voorhoofd tegen het koude glas van het etalagehokje geleund stond,
zijn armen wijd, of hij een ijsblok probeerde te omarmen. Hij liep naar
een van de telefoons wat verderop, pakte de hoorn en drukte hem tegen zijn
hoofd, alleen maar om houvast te hebben. De kiestoon schrijnde in zijn
oor. Eden sloot zijn ogen. In mijn hoofd zit een beest dat tegen mijn
schedelwand klopt, dacht hij. Hij zit daar rood aangelopen ineen gedrukt,
zijn lange, dunne armen en handen boven en naast zich als een aapje in een
veel te kleine baarmoeder, donkerrood als een pekingeend, smakelijk bijna,
maar zijn ogen puilen uit, een schildklierlijder of een dronkelap...
- De
hoorn tegen zijn oor gaf hem het alibi om tot rust te komen. De toon was
opgehouden.
|