|
Het Parool, 18-11-2004
"Liefde als
sidderende spiraal"
ARIE STORM
'En
toen ging ik dood.' Dat is een zin die je in een roman niet snel tegen zult
komen. Een dode kan immers niet in de ik-vorm terugblikken op de avonturen die
hij of zij heeft beleefd tijdens zijn of haar leven. Dat is een ijzeren
vertelwet.
Wanda Reisel lapt deze regel, in haar nieuwste roman, met verve aan
haar laars. Het boek heet Witte liefde en het verhaal wordt voornamelijk verteld
door Rosa ('Ro') Muller, weduwe van Rudi Weller, architect. 'Ik geloof dat ik
echt dood ben,' constateert ze op de eerste bladzijde, om even later voort te
zetten met het montere: 'Wat een toestand in Marokko.'
Ro ligt opgebaard, de begrafenis kan elk moment aanvangen, en dat is een mooi
moment om eens wat te gaan terugblikken: 'Maar nu, nu ik toch dood ben, kan ik
er wel weer eens aan terug gaan denken, hoe die liefde ontstond, naderbij kwam
en bezit van me nam. Ik heb het nooit meer zo ervaren, de kracht van zo'n grote
liefde voor een ander.'
Die combinatie van opgewektheid, magie, nuchterheid en treurnis vormt een van de
grote charmes van het proza van Wanda Reisel. En dan komt er ook nog eens,
niettegenstaande de toestand van de vertelster, een enorm levendige, kleurrijke
en toch onopgesmukte stijl bij. Laat ik het maar gewoon even onomwonden zeggen:
ik heb genoten van Witte liefde.
De liefde waar het om gaat is er trouwens niet eentje tussen Ro en Rudi. Ro
blikt terug op de periode, vanuit haar kist gezien zo'n veertig jaar geleden,
dat ze, samen met man en dochter, op Curaçao verbleef - ergens in de jaren
vijftig van de twintigste eeuw. Daar komt ze de journalist Bob Krone (in zijn
vrije tijd een dichter) tegen, en het is meteen raak (let bij het volgende
citaat overigens ook op de laatste zin): 'Als ik hem een hand geef, gaat er een
kleine trilling door me heen, zo eentje als ik als klein kind na een heftige
huilbui had, een niet te onderdrukken sidderende spiraal die van mijn keel tot
in mijn buik reikt en daar natrilt. We herkennen elkaar meteen. Bob Krone houdt
mijn hand vast en ik kan de zachtheid van zijn hand nu nog oproepen. Onze
trouwringen raken elkaar even.'
Deze wederzijdse passie heeft iets onvermijdelijks. Er is geen sprake van
vlinders in de buik, maar van iets veel heftigers. Dat beeld van die sidderende
spiraal komt verscheidene keren in de roman terug, de liefde tussen Ro en Bob is
eerder te vergelijken met een slang die zich in hen heeft genesteld.
Dit gaat Rudi niet leuk vinden.
Op bladzijde 208, als alles inmiddels is uitgekomen, heet het: 'Bob is hier in
huis taboe geworden, ik moet zorgen dat zijn naam niet valt.'
Witte liefde gaat over overspel, over echte liefde, over trouw en over de
onmogelijkheid van het huwelijk. Tenminste, Ro ervaart dat laatste zo: 'Welke
godheid heeft de mensen de opgave gegeven om binnen het huwelijk het vuur
twintig, dertig jaar of meer met de hoogste eisen gaande te houden, dat is iets
van mythische proporties, geboren als wensgedachte en toen bij vergissing tot
wet gemaakt.'
Na de hele affaire met Bob keren Rudi, Ro en hun dochter terug naar Nederland.
'De levens van Rudi en mij schoven van toen af aan langs elkaar heen, licht als
vitrage.' En: 'Hij was ver weg als hij sliep.' Wat er wél over is van de
echtverbintenis is genegenheid. Niet veel misschien, maar het is iets.
Het grijze Nederland contrasteert scherp met het zonnige Curaçao. Want dat is
nog een andere kwaliteit van deze roman: de prachtige wijze waarop Wanda Reisel
sfeer weet op te roepen en decors weet te gebruiken. Witte liefde is bijzonder
zintuiglijk geschreven. Het leven van Nederlanders op Curaçao in de jaren
vijftig wordt en passant scherp in beeld gebracht.
En al deze kwaliteiten samen zijn genoeg. Reisel laat Ro het verhaal
betrekkelijk rustig vertellen, af en toe last ze stukken in waarin Bob aan het
woord komt. Dat zorgt voor wat variatie, zoals Reisel ook precies genoeg
gebeurtenissen inlast om het verhaal aantrekkelijk te houden, zonder dat het een
melodramatisch spektakelstuk wordt. Naarmate het verhaal vordert, wordt het wel
steeds intenser.
Melancholie, dat is het woord waarnaar ik zoek en waarvan de roman doordrenkt
is. Maar dan wel een melancholie van het opbeurende soort.
'Witte liefde kan niet anders dan een keer vuil worden,' merkt Ro op.
En dan wordt ze tijdens haar uitvaart alsnog met een aangename verrassing
geconfronteerd. Onder de vrolijke klanken van een
steelband verdwijnt ze definitief haar graf in.
Een heel bijzonder boek.
|