| In 'Die zomer' brengt
Wanda Reisel de jaren zeventig griezelig dichtbij. Een tijd waarin docenten
met leerlingen in bed stapten, en de seksuele vrijheid grenzenloos leek.
De tijdgeest kruipt in alle naden en kieren van het
leven. Zo voelt het tenminste als je 'Die zomer' van Wanda Reisel leest.
Bijna iedere scène van deze roman wordt gekleurd door de 'context van die
tijd', zoals het sinds Duyvendak wordt genoemd.
Het verhaal speelt in de zomer van 1970. Dana Davidson
is zeventien jaar en woont in Amsterdam. Ze is 'altijd wel half op iemand
verliefd, zoals een ander verslaafd is aan drop of chocola' en heeft ook wel
vriendjes, maar is nog altijd maagd.
In de broeierige tijd van de seksuele bevrijding is
dat niet de norm. Haar sexy vriendin Tessa heeft het bijvoorbeeld al op haar
dertiende gedaan, uit de 'eerzuchtige drang' om haar lichaam te 'exploreren
als een onbekend continent'.
De mooie Dana krijgt weliswaar aandacht genoeg, van
klasgenoten en van leraren, maar ze weert hen af of gedraagt zich te
schuchter.
Dit levert een verhaallijn op: je weet vrijwel zeker
dat Dana met iemand naar bed zal gaan, maar met wie? En hoe gruwelijk of
liefdevol zal het zijn? Die lijn moet je wel zelf trekken, want het boek
kent verder geen plot die de personages voortstuwt. Reisel beschrijft vooral
een zomer zoals die best had kunnen plaatsvinden. Dana bezoekt
puberfeestjes, gaat op vakantie naar Parijs, betrapt haar vader met een
minnares, flikflooit met leraren van haar school ("Ik doe echt niks wat
jij niet wilt, zei Ted edelmoedig'') en haar broer krijgt een ongeluk.
Zo kan het allemaal lopen.
Nu wordt er in het jaar 1970 revolutie en vrijheid
gepredikt. Oude normen en waarden gaan op de helling. Dana merkt het ook, ze
kan er alleen niet zo goed mee uit de voeten. Ze probeert bijvoorbeeld haar
ouders bij de voornaam te noemen, omdat dat taboedoorbrekend zou zijn, maar
ze verspreekt zich steeds. Haar ouders lachen erom, wat Dana vernederend
vindt.
Een ernstiger gevolg van de alomtegenwoordige
vrijheidsdrang is dat mensen om haar heen die vrijheid verwarren met
grenzeloosheid. Neem de twee leraren die haar het bed in proberen te
krijgen. De progressieveling doet het onbeschaamd en noemt zich 'je
hornycorny leraar biologie', een andere, gefrustreerde leraar wordt juist
getergd door schuldgevoel, maar linksom of rechtsom gaan ze allebei een
grens over. De emotionele schade valt uiteindelijk wel mee, maar het brengt
Dana's puberhart toch in verwarring.
Met vriendin Tessa loopt het minder goed af. Zij laat
Dana in Parijs een avond lang in de steek om naar bed te gaan met een of
andere Karim die ze net hebben leren kennen. Ze wordt gedrogeerd, beroofd en
verkracht. Voel je het gevaar dan niet, zou je willen roepen, alsof je naar
een poppenkast kijkt, maar nee, ze ziet totaal niet waar haar eigen grenzen
liggen. Ook dat lijkt veroorzaakt door die vreemde tijd.
Reisel weet dit allemaal subtiel en onpartijdig te
beschrijven: ze schetst zowel de vrolijke als de zwarte kanten van de
geschiedenis in een beeldende taal. Het verhaal draait uiteindelijk om een
meisje dat met haar remmingen en aandriften moet leren omgaan, en het
woordje 'nee' moet leren hanteren. Het resultaat is een worsteling die
aantoont dat revolutie en vrijheid paradoxaal genoeg ook heel erg kunnen
benauwen.
De details maken het af. Om er een te noemen: Dana
praat met haar broer over hun moeder, die door het moederschap allerlei
kansen in haar leven heeft gemist en nu bij hun vader weggaat. Haar broer
zegt dat hij dat zag aankomen: "Verveling is een voorteken van actie.''
Zelfs zinnige analyses van intelligente personages blijken een tikje van de
jaren-zeventig-molen mee te krijgen: zo hegeliaans zou je het nu niet snel
meer uitdrukken.
Hoe meer ik las, hoe meer ik me verbaasde over de
sfeer in de zomer van 1970. Het boek lijkt misschien enigszins richtingloos
en een druppeltje cynisme had het lieve karakter van Dana geen kwaad gedaan,
maar Reisel roept zo'n sterk tijdsbeeld op dat het lijkt alsof je er zelf
bij bent geweest |